Decoupling en recoupling: waarom rijke landen helemaal niet zo goed bezig zijn

18:44


Shoppen is een nationale hobby geworden. Niet alleen in Amerika, maar ook in Nederland gaan we er graag ieder weekend op uit om de winkelstraat af te struinen en onszelf te verwennen met een nieuwe broek, mooie geurkaars of nieuwe sneakers. Tegelijkertijd willen we allemaal iets voor het milieu doen, de aarde redden en goed zijn voor de wereld. Kunnen we deze twee dingen wel combineren? 

Eerder legden we al uit dat een weekendje weg of een dagje in de stad écht niet gepaard hoeft te gaan met tassen vol onnodige kleding. Maar The Guardian laat ons het achterliggend concept nog even zien. In het artikel "Consume more, conserve more: sorry, but we just can't do both", wordt geïllustreerd dat we in een "We can have it all" tijdperk leven. We kunnen ons alles veroorloven wat we willen, de economie steunen en ons geld laten rollen. Het argument? We hoeven niet naar de capactiteit van de aarde te kijken, want als economieën ontwikkelen zullen ze efficiënter met hun grondstoffen omgaan. Dit word 'decoupling' genoemd. 

Handig om te weten is dat er twee soorten 'decoupling' bestaan: relatieve en absolute decoupling. Relatieve decoupling betekent dat je minder spullen gebruikt in ieder segment van economische groei. Absolute decoupling houdt in dat je een totale reductie in grondstofgebruik hanteert, ondanks dat de economie blijft groeien. 

Wat echter niet duidelijk is, is hoe de decoupling wordt gemeten, waardoor valse argumenten ontstaan.

Wat echter niet duidelijk is, is hoe de decoupling wordt gemeten, waardoor valse argumenten ontstaan. We nemen bij deze berekening nu namelijk rauwe materialen (grondstoffen) uit ons eigen land, voegen deze bij onze import van spullen uit andere landen, maken er een exportproduct van en eindigen met iets dat 'Domestic material consumption' heet. Maar door alleen te kijken naar producten die van het ene naar het andere land gaan, dan te kijken naar de rauwe materialen die nodig zijn om deze producten te maken, onderschat men de totale grondstoffen die de rijke landen gebruiken. 


Is het nog te volgen? Misschien helpt een voorbeeld. Als ertsen worden gemijnd en geproduceerd in het thuisland, worden deze grondstoffen én de machines en infrastructuur voor het maken van het eindproduct (metaal) opgenomen in de 'Domestic material consumption'. Echter, als we metaal uit een ander land kopen, wordt alleen het metaal meegerekend in de 'domestic material consumption'. Aangezien arme landen vaak mijnwerkzaamheden uitvoeren, lijkt het alsof rijke landen minder grondstoffen gebruiken. Niet heel erg transparant dus, en ook nog eens behoorlijk misleidend.

Uitspraken van de OECD dat de rijkste landen hun grondstofintensiteit hebben gehalveerd gaan als mist op.

Kijk naar de voetprint
Volgens George Monbiot van The Guardian kunnen we daarom beter een andere maatstaf hanteren: de 'material footprint'. In deze voetafdruk zijn alle rauwe materialen in de economie opgenomen, ook als deze in het buitenland zijn verwerkt. Hieruit kan zelfs blijken dat er eigenlijk helemaal geen decoupling plaatsvindt, maar dat er eerder zelfs recoupling kan bestaan. Uitspraken van de OECD dat de rijkste landen hun grondstofintensiteit hebben gehalveerd gaan als mist op. Sterker nog, met de nieuwe maatstaf wordt duidelijk dat rijke gebieden als de EU, VS en Japan helemaal geen verbeteringen hebben. 

You Might Also Like

0 reacties

Contactformulier

Naam

E-mail *

Bericht *

Facebook

Pinterest